De realiteit van de wetenschap


Door: Daniel Haqiqatjou

Stelt u zich eens voor, een blind en doof persoon die alleen beschikking heeft over zijn tastzin om over zijn omgeving te leren. Of nog erger. Deze persoon kan zijn omgeving alleen maar voelen met behulp van een naald. Hij houdt de naald vast en wrijft haar punt over de oppervlakken van de voorwerpen. De punt van de naald is zijn enige kijk op de wereld. Dat kleine naald is zijn enige bron van informatie over het gehele universum.

Dus stel je onze verbazing voor toen deze man ons probeerde over de aard van de werkelijkheid te vertellen. Stel je onze verwarring voor toen hij ons uitlegde wat “het allemaal betekent.” Stel je onze reactie voor toen hij aanhield dat de enige dingen die in de wereld bestaan zijn wat hij door zijn naald kan voelen.

Stel je nu voor dat in plaats van een naald, de man een klein stukje draad heeft om zijn omgeving te verkennen door het op en om de objecten te slepen. Dat geeft je een nauwkeuriger inzicht in hoe wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan.

Bedenk dat de mens alleen deel uitmaakt van een zeer kleine splinter van het elektromagnetische spectrum, dat wil zeggen, zichtbaar licht, die we waarnemen met onze ogen. Natuurlijk, als gevolg van relatief moderne technologie, kunnen we andere vormen van elektromagnetische straling opsporen waar onze voorouders geen idee over hadden, bijvoorbeeld, infrarood, ultraviolet, x-stralen, gammastralen, etc. Waarom denken wij dan dat er geen andere sporen van stralen van informatie bestaan waar we tot nu toe, als gevolg van huidige technologische beperkingen, niets over weten?

Gezien onze talenten voor het waarnemen, is er gewoonweg geen manier voor ons om te weten wat we niet weten. Als we geluk hebben, kunnen we iets per ongeluk tegenkomen. Maar gezien de uitgestrektheid van het universum (tenminste, het stukje waar we vanaf weten) en het feit dat zo’n groot deel van onze eigen kleine planeet nog moet worden onderzocht, is het genoeg om aan te nemen dat er een heleboel nog in het duister ligt waar wij niets vanaf weten. 

Denk nu eens aan onze mentale capaciteit. Waarneming, is immers onverbiddelijk verbonden met het vermogen van de hersenen om zintuiglijke informatie te ‘produceren’. En dit “produceren” is een eerste vereiste voor ons vermogen om die informatie bewust te registreren. Wat als onze hersenen niet kunnen “zien” wat bepaalde dingen onze zintuigen wel halen? Nogmaals, er is geen manier om dit met zekerheid te zeggen, want we kunnen niet als het ware naar “buiten” stappen uit onze hersenen om te zien wat zij missen.

Het ironische is dat de wetenschap zelf impliciet deze extreme beperkingen erkent. Volgens wetenschappelijke consensus, zijn we immers niets anders dan geëvolueerde apen. Onze perceptuele en cognitieve capaciteiten, zijn geschikt voor het vinden van eetbare vruchten in de bomen en het krijgen van de beste harige lichaam om mee te paren, wordt ons verteld. Maar toch, op een of andere manier kunnen die functies van de dag-tot-dag aap-zijn vatbaar zijn voor het onderzoeken van de diepten van het heelal, nadenken wat het allemaal betekent, en filosoferen over alles, van de menselijke natuur tot de biologische oorsprong van de zedelijkheid.

Je moet me vergeven voor het grinniken in het gezicht van een dergelijke blind hoogmoed.