‘Nee lieverd, hij is van jou’


 Noor el-Terk, schrijfster bij The New Arab was één van de vrijwilligsters die na de brand in Grenfell Tower mensen heeft geholpen. Zij heeft daar een aangrijpende stuk over geschreven op haar Facebookpagina. Mohammed Akkari vond het de moeite waard om het volledig in het Nederlands te vertalen. 

Ze zeggen dat het zes dagen geleden was terwijl het voelt als zes weken.

Ik herinner me hoe leeg de straten waren op woensdag ochtend en hoe de donaties binnenstroomden. Ik herinner mij de omleidingen en de gesloten wegen. Ik herinner me hoe de wandelingen, die normaal gesproken 5 minuten nemen, nu twintig minuten duren. Ik  herinner mij de zon die op ons insloeg, het hallucineren van ijskoude drank en het plakkerige gevoel van onze kleding.

Ik herinner mij het rokende gebouw, uitgebrand zwart, een duister pilaar in een vredig blauwe hemel. Ik herinner mij het puin rondom het gebouw. Plukken zwart schuim, grote gevaarlijk ogende blokken die smelten zodra je ze aanraakt. Ik herinner mij de stank van het rook. Het rook dat in je longen kroop en niets weggaven. De verschrikkelijke beelden die continu in je herinneringen blijven herhalen; het hele gebouw in brand.

Ik herinner mij de wezenloze blikken in de kerk, de schok van families en kennissen. Ik herinner mij de trauma van de buren die het huis van hun vriend in rook zagen opgaan terwijl zij in de rij stonden om te helpen. Zij riepen: “Help ons, waarom helpen zij ons niet, waarom proberen zij niet….“ Dat deden zij, ik zweer je, ik heb hen beloofd, zij probeerden te helpen.”

Ik herinner mij in mijn hoofd het tellen van de mensen in de kerk, dertig getraumatiseerd, waarvan maar een derde uit het gebouw. Ik herinner mij de vraag: waar is de rest? Ik herinner mij het levenloze antwoord. “Dood. Dood of gewond. Niemand is hier.”

Ik herinner mij het ongeloof. Ik herinner mij de naïeve hoop dat iedereen in de moskee Taraweeh aan het bidden was. Ik herinner mij het lezen van nieuwskoppen die zeiden dat men wakker voor Sahur was… De hoop dat zij er nog waren; we hoeven ze alleen nog te vinden.

Ik herinner mij de nerveuze energie. Mensen die hun nacht beschrijven; “Er was geklop om 04:30, iemand riep: ga weg! Ik pakte mijn horloge en we vertrokken”. Ik herinner mij de plotse pijn die door hun ogen schoot als die energie omsloeg in tranen. Ik herinner mij het meisje dat stil in de kerk zat, die niets wist over haar vriend. Ik herinner mij hopeloos voelen, geen woorden kennen die het mogelijk goed konden praten. Ik herinner mij het enige wat ik kon bieden – een knuffel.

Ik herinner mij de donaties de hoogtes en lengten van de moskee bereiken. Ik herinner mijn terugkeren naar mijn auto, in een straat afgeslopen met dubbel geparkeerde auto’s, en het rijden over de voetpad. Ik herinner mij de voelbare frustraties van organisatoren en politie terwijl vrijwilligers steevast hen onder de voeten wilden lopen.

Ik herinner het inpakken van dozen in de skatepark uit de voorverpakking halen en zorgpakketten vormen. Ik herinner mij naar het St. Mary Ziekenhuis te worden gestuurd voor een noodbezorging, om dan door het ziekenhuis te worden afgewezen Ik herinner mij het dragen van zware dozen, mijzelf afvragend hoe ik om spieren kan vragen zonder mijn eer teveel te schaden. Ik herinner mij het proppen van acht reistassen in mijn kleine auto en deze brengen naar de hotel.

Ik herinner mij de woede. Ik herinner mij het besef dat mensen voor drie dagen helemaal alleen waren gelaten. Ik herinner mij hoe de hopen zorgpakketten door mijn ogen flitsen terwijl de slachtoffers beschrijven dat zij geen geld of eten hadden. Ik herinner mij de Syrische familie op de 9de verdieping die mij knuffelden zodra zij mij zagen; misschien was ik wel een vertrouwd gezicht in de onzekere dagen die zij hebben beleefd.

Ik herinner mij het herpakken van de herpakte dozen. Ik herinner mij de slachtoffers die met mij op de vloer zaten en mij hielpen met uitpakken, sorteren en inpakken. Ik herinner mij de zachte glans van hoop als zij iemand met hoofddoek zagen. Ik herinner mij het zien van tweede hands hijabs en kleren die gedoneerd werden en denken, ik zou geen van deze dragen. Ze zijn niet eens mooi.

Ik herinner mij de dame die zei, niemand heeft ons gezien in de afgelopen drie dagen. Ik herinner mij de hotel die ons vroeg alles in te pakken wat wij hadden uitgepakt en gesorteerd, omdat zij een evenement hadden in de zaal waar de slachtoffers waren. Ik herinner de woede bij de gedachte dat we de donaties terugnamen naar de centrum waar mensen al hadden ingepakt en uitgepakt op opnieuw hadden ingepakt. Ik herinner de telefoontjes die werden gepleegd, diezelfde dag, de volgende dag, om te gaan inpakken, en al weten wat de uitkomst zal zijn.

Ik herinner mij het telefoontje, een familie van zeven, Syrische vluchtelingen, die vier dagen in hun auto hebben doorgebracht. Ik herinner mij het afgeven van hoofddoeken en abaya’s van Haute Elan, splinternieuw, en de lange knuffels met dezelfde woorden: “Dank je dank je, dankje dankje..” Ik herinner mij dat ik weet dat ik die dank niet waard ben.

Ik herinner mij hoe zij treurig keek naar de meisjes die liepen in prachtige kanten Abayyas. Ik herinner mij de oude families die vertalers nodig hadden. Ik herinner mij de woorden keer op keer, “zij geven niet om ons, zij willen ons plek aan de rijken geven.”

Ik herinner mij de frustraties bij de gemeenteraad. Ik herinner mij hoe ik mij probeerde in te houden, niet wetend waarom (of hoe) het hen een week duurde voor ze soort van iets georganiseerd hadden. Ik herinner mij mijn companion, woede, borrelen in mij, in bedwang gehouden door de glimlachen en rust die je moet geven.

Maar het meeste van alles, herinner ik mij de moeder die zei: “Neem niet te veel, laat wat voor anderen.” en het kleine kindje dat een stuk speelgoed pakte en zei: “Ik leen deze wel.”

“Nee lieverd, het is van jou.”